Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
27 mei 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in een strafzaak. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf, maar tot verwerping van het beroep voor het overige.
Het eerste middel van cassatie werd verworpen zonder nadere motivering omdat het geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vanwege het te laat aanleveren van stukken door het hof.
De Hoge Raad achtte het middel gegrond en erkende de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de aard en duur van de opgelegde straf (twaalf weken gevangenisstraf, waarvan zes weken voorwaardelijk) en de mate van overschrijding, zag de Hoge Raad echter geen aanleiding om rechtsgevolgen aan deze overschrijding te verbinden.
Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en handhaafde het arrest van het hof, behoudens de strafoplegging die door het hof was vastgesteld. Dit arrest werd uitgesproken op 27 mei 2014 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad erkent overschrijding van de redelijke termijn maar verbindt hieraan geen gevolgen en verwerpt het cassatieberoep.