ECLI:NL:HR:2014:1240

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2014
Publicatiedatum
27 mei 2014
Zaaknummer
12/04420
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn zonder gevolgen voor strafoplegging

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in een strafzaak. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf, maar tot verwerping van het beroep voor het overige.

Het eerste middel van cassatie werd verworpen zonder nadere motivering omdat het geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vanwege het te laat aanleveren van stukken door het hof.

De Hoge Raad achtte het middel gegrond en erkende de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de aard en duur van de opgelegde straf (twaalf weken gevangenisstraf, waarvan zes weken voorwaardelijk) en de mate van overschrijding, zag de Hoge Raad echter geen aanleiding om rechtsgevolgen aan deze overschrijding te verbinden.

Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en handhaafde het arrest van het hof, behoudens de strafoplegging die door het hof was vastgesteld. Dit arrest werd uitgesproken op 27 mei 2014 door de strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad erkent overschrijding van de redelijke termijn maar verbindt hieraan geen gevolgen en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

27 mei 2014
Strafkamer
nr. 12/04420
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 augustus 2012, nummer 20/000187-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 mei 2014.