Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
€ 2.200,-- voor salaris
23 mei 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontbinding van een overeenkomst van opdracht tussen een advocatenkantoor en een cliënt centraal, waarbij een prijsafspraak was gemaakt. De vraag was of bij ontbinding de ongedaanmakingsverbintenis inhoudt dat de afrekening moet plaatsvinden op basis van het oorspronkelijk overeengekomen loon of dat het gebruikelijke, vaak hogere, loon kan worden berekend.
De zaak werd in eerste aanleg en hoger beroep behandeld door respectievelijk de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam, waarvan de vonnissen en arresten integraal aan het arrest van de Hoge Raad waren gehecht. Beide instanties hadden hun oordeel gegeven over de toepassing van artikel 6:272 lid 1 en Pro artikel 7:405 lid 2 BW Pro in relatie tot de ontbinding en afrekening.
De Hoge Raad overwoog dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat het niet nodig was om nadere rechtsvragen te beantwoorden. Het principaal cassatieberoep werd verworpen en het voorwaardelijk incidenteel beroep kwam daardoor niet aan de orde. De Hoge Raad bevestigde hiermee de eerdere rechtspraak dat bij ontbinding van een overeenkomst van opdracht de afrekening kan plaatsvinden op basis van het gebruikelijke loon, ook als dat hoger is dan het oorspronkelijk overeengekomen loon.
De Hoge Raad veroordeelde eiseres tot betaling van de kosten van het cassatiegeding en sprak het arrest uit op 23 mei 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat afrekening bij ontbinding op basis van het gebruikelijke hogere loon mag plaatsvinden.