Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:1165

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2014
Publicatiedatum
20 mei 2014
Zaaknummer
12/02460
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 SrArt. 56 SrArt. 57 SrArt. 282 SrArt. 312 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing verschillende strafbepalingen bij meerdaadse samenloop en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor afpersing en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd in de periode van 3 tot en met 4 februari 2009 in Breda, Barendrecht en Rotterdam. Het hof kwalificeerde de feiten als toepassing van twee verschillende strafbepalingen (art. 317 Sr Pro en art. 282 Sr Pro) en paste art. 57 Sr Pro toe voor meerdaadse samenloop.

In cassatie stelde de verdachte dat de feiten als voortgezette handeling (art. 56 Sr Pro) of eendaadse samenloop (art. 55 Sr Pro) gekwalificeerd hadden moeten worden. De Hoge Raad oordeelde dat art. 317 Sr Pro en art. 282 Sr Pro verschillende strekking hebben, waardoor art. 55 Sr Pro niet van toepassing is. Ook art. 56 Sr Pro is niet van toepassing omdat geen sprake is van soortgelijke feiten.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het hof niet verplicht was om zijn oordeel over art. 57 Sr Pro nader te motiveren, aangezien geen verweer was gevoerd. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden en verminderde daarom de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar naar drie jaar, elf maanden en een week.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 20 mei 2014.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verminderde de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

20 mei 2014
Strafkamer
nr. 12/02460
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 april 2012, nummer 20/003452-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. D.N. de Jonge, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het derde middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, twee strafbepalingen op de bewezenverklaarde feiten heeft toegepast in plaats van deze feiten als een voortgezette handeling in de zin van art. 56, eerste lid, Sr, althans als eendaadse samenloop in de zin van art. 55, eerste lid, Sr te kwalificeren.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 03 februari 2009 tot en met 04 februari 2009 te Breda en/of te Barendrecht en/of te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (van in totaal 1750 Euro) en een portemonnee (met inhoud) en een creditcard, toebehorende aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader(s)
- [slachtoffer] hebben gedwongen in zijn, [slachtoffer]'s, auto plaats te nemen achter het stuur en
- als passagiers in de auto hebben plaatsgenomen en
- een vuurwapen aan [slachtoffer] hebben getoond en
- een vuurwapen hebben doorgeladen en
- [slachtoffer] hebben gedwongen naar Barendrecht en Rotterdam te rijden en
- [slachtoffer] dreigend hebben toegevoegd: "portemonnee" en "telefoon" en "pinnen, pinnen" en "rijden, rijden";
en
hij in de periode van 03 februari 2009 tot en met 04 februari 2009 te Breda en/of Barendrecht en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) met dat opzet:
- [slachtoffer] gedwongen in de auto van [slachtoffer] (als bestuurder) plaats te nemen en
- tegen de wil van [slachtoffer] als passagiers plaatsgenomen in die auto van [slachtoffer] en
- [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen naar en door Barendrecht en naar en door Rotterdam te rijden."
2.3.
Omtrent de strafbaarheid van deze feiten heeft het Hof als volgt geoordeeld:
"Het eerste cumulatief bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 317 Wetboek Pro van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 317 juncto Pro artikel 312, tweede lid, Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als volgt:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het tweede cumulatief bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 282 Wetboek Pro van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als volgt:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden."
2.4.
Het Hof heeft als toepasselijk wettelijk voorschrift onder andere art. 57 Sr Pro vermeld.
2.5.
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Art. 317 en Pro 282 Sr hebben immers een verschillende strekking zodat art. 55, eerste lid, Sr niet voor toepassing in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor art. 56 Sr Pro omdat geen sprake is van soortgelijke feiten. Nu blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de daaraan gehechte pleitnotities terzake geen verweer is gevoerd was het Hof ook niet gehouden zijn oordeel dat art. 57 Sr Pro toepasselijk is te motiveren.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie jaren, elf maanden en een week beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 mei 2014.