Uitspraak
wonende te [woonplaats], Frankrijk,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 mei 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw die in 2003 op huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. Zij kochten samen een woonhuis in Frankrijk dat zij uit privévermogen betaalden en verbouwden. Bij echtscheiding in 2010 ontstond discussie over de verrekening van de investeringen in het woonhuis.
De rechtbank had het woonhuis aan de man toegewezen en hem veroordeeld tot betaling van €90.000 aan de vrouw. Het hof stelde vast dat partijen een nominaal vergoedingsrecht hadden en dat de man €347.710 had geïnvesteerd in de verbouwing. Het hof wees de vordering van de man op vergoeding van zijn investeringen op grond van artikel 5 HV Pro af en oordeelde dat artikel 9 HV Pro van toepassing was, waardoor de overwaarde van het woonhuis moest worden verdeeld.
De man stelde dat op grond van artikel 9 lid 3 en Pro 4 HV afrekening achterwege moest blijven vanwege een negatief saldo van zijn vermogen en dat een betalingsregeling moest worden getroffen. Het hof had dit verweer niet gemotiveerd behandeld. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.