ECLI:NL:HR:2014:1071

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 mei 2014
Publicatiedatum
1 mei 2014
Zaaknummer
14/01056
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in WSNP-zaken wegens gebrek aan belang

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een WSNP-procedure. De zaak betrof een tussentijdse beëindiging van de WSNP en de daarbij behorende informatieplicht en boedelachterstand.

De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam, die aan het arrest zijn gehecht. Verzoeker stelde klachten aan het cassatieberoep ten grondslag, maar de Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 RO.

De Hoge Raad oordeelt dat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a lid 1 RO en het advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door de raadsheren van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Drion, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot op 2 mei 2014.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en niet-ontvankelijkheid van de klachten.

Uitspraak

2 mei 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01056
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/13/11/701-R van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2013;
b. het arrest in de zaak 200.138.634/01 van het gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
2 mei 2014.