ECLI:NL:HR:2014:1034

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 mei 2014
Publicatiedatum
29 april 2014
Zaaknummer
13/04891
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid tweede navorderingsaanslag bij kwade trouw belastingplichtige

Belanghebbende verzweeg te kwader trouw inkomsten uit een hennepstekkerij in zijn belastingaangifte over de jaren 2006 en 2007. De inspecteur legde op basis van een proces-verbaal van de politie navorderingsaanslagen op. Vervolgens legde de inspecteur opnieuw navorderingsaanslagen op, waarbij een fout in het politierapport niet was onderkend.

Het geschil betrof de vraag of de tweede navorderingsaanslagen rechtmatig waren. Het hof oordeelde dat belanghebbende te kwader trouw was en dat de onzorgvuldigheid van de inspecteur bij het opleggen van de tweede aanslagen niet aan herstel in de weg stond.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat een feit dat bij het opleggen van de eerste aanslag bekend was, niet zonder meer een tweede aanslag uitsluit als de belastingplichtige ook ten aanzien van dat feit te kwader trouw was. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat een tweede navorderingsaanslag bij kwade trouw toegestaan is.

Uitspraak

2 mei 2014
nr. 13/04891
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 8 oktober 2013, nrs. BK‑12/00424 en 12/00425, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 11/9419, 11/9420, 12/1062 en 12/1063) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2006 en 2007 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De Inspecteur heeft op grond van een door de politie opgesteld proces-verbaal navorderingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd over de jaren 2006 en 2007 in verband met niet aangegeven inkomsten uit een hennepstekkerij. Daarbij heeft de Inspecteur niet onderkend dat de berekening in het politierapport abusievelijk uitgaat van 1 hok terwijl er 2 hokken waren waarin stekken werden gekweekt. De Inspecteur heeft vervolgens over de jaren 2006 en 2007 opnieuw navorderingsaanslagen opgelegd (hierna: de tweede navorderingsaanslagen).
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur de tweede navorderingsaanslagen mocht opleggen.
2.3.
Het Hof heeft in cassatie onbestreden geoordeeld dat belanghebbende te kwader trouw was ter zake van het niet aangeven van de inkomsten die zijn verkregen uit de hennepstekkerij. Door bij het opleggen van de tweede navorderingsaanslagen niet met de vereiste zorgvuldigheid kennis te nemen van de inhoud van het door de politie opgestelde proces-verbaal heeft de Inspecteur weliswaar onzorgvuldig gehandeld, maar deze onzorgvuldigheid staat niet aan een herstel door middel van de eerste navorderingsaanslagen in de weg gezien belanghebbendes kwade trouw, aldus het Hof.
2.4.1.
Het eerste middel betoogt onder meer dat een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn ten tijde van het opleggen van de eerste navorderingsaanslagen, niet ten grondslag mag worden gelegd aan de tweede navorderingsaanslagen. Het middel faalt in zoverre. Omdat belanghebbende ook ter zake van het feit dat aan de tweede navorderingsaanslagen ten grondslag ligt te kwader trouw is, staat een ambtelijk verzuim van de Inspecteur niet aan het opleggen van die navorderingsaanslagen in de weg.
2.4.2.
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2014.