Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:CA3724

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/02366
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:19 BWArt. 7:23 BWArt. 3:44 lid 3 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in executoriale verkoop dressuurpaard

In deze zaak stond de executoriale verkoop van een dressuurpaard centraal, waarbij geschil bestond over non-conformiteit en de toepasselijkheid van klachtplicht en bedrog volgens het Burgerlijk Wetboek. Eiseressen, gevestigd in Frankrijk, hadden beroep in cassatie ingesteld tegen eerdere arresten van het gerechtshof Amsterdam, waarin hun vorderingen waren afgewezen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Omdat de klachten niet wezenlijk waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, was geen nadere motivering vereist. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van ING Bank kwam hierdoor niet aan de orde.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken van rechtbank en hof, en veroordeelde eiseressen in de proceskosten van het cassatiegeding. De zaak betrof onder meer de uitleg van artikel 81 lid 1 RO Pro, de klachtplicht uit artikel 7:23 BW Pro en de vraag aan wie de klacht moet worden gericht bij vertegenwoordiging volgens artikel 6:248 lid 2 BW Pro.

De uitspraak werd gedaan door raadsheren Streefkerk, Snijders en de Groot, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth op 12 juli 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere arresten worden bekrachtigd.

Uitspraak

12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 12/02366
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats], Frankrijk,
2. De vennootschap naar Frans recht S.A.R.L. HARAS DE HUS,
gevestigd te Petit Mars, Nantes, Frankrijk,
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
t e g e n
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en ING.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
de vonnissen in de zaak 351360/HA ZA 06-3024 van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2007 en 8 augustus 2007;
de arresten in de zaak 106.007.352/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 13 oktober 2009 en 6 december 2011.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. ING heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eisers] toegelicht door hun advocaat en mr. M.L. Blackstone, advocaat te Deventer. Voor ING is de zaak toegelicht door haar advocaat en mr. A. van Loon, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 14 juni 2013, verbeterd bij brief van 15 juni 2013, op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 6.118,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
12 juli 2013.