ECLI:NL:HR:2013:CA3319

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/04738 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 262 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen ongegrondverklaring bezwaarschrift dagvaarding en processtukken

In deze zaak is cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof Leeuwarden waarbij een door verdachte ingediend bezwaarschrift tegen de dagvaarding alsnog ongegrond is verklaard. De kern van het geschil betrof de vraag of de rechter in hoger beroep alleen de processtukken mocht betrekken die aan de eerste rechter ter beschikking stonden, of ook stukken die het Openbaar Ministerie na het instellen van het beroep heeft overgelegd.

De Hoge Raad overweegt dat een dergelijke beperking geen steun vindt in het recht. Ook bij een beroep tegen een (gedeeltelijke) buitenvervolgingstelling op grond van artikel 262 Sv Pro is de rechter bevoegd en in beginsel gehouden alle aan hem ter beschikking gestelde processtukken in zijn beoordeling te betrekken. Het hof was niet gehouden nader uiteen te zetten hoe de inhoud van het omvangrijke procesdossier zijn oordeel kon dragen.

De Hoge Raad verwerpt het middel dat klaagt over onvoldoende motivering en bevestigt dat het hof terecht het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard. Hiermee wordt het oordeel van het hof bekrachtigd dat de zittingsrechter later oordelend een bewezenverklaring kan bereiken.

De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof heeft terecht het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Uitspraak

18 juni 2013
Strafkamer
nr. S 12/04738 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 september 2012, nummer 000582-12, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262 Sv Pro, ingediend door:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Procesgang en de bestreden beschikking
Het cassatieberoep is gericht tegen een in hoger beroep gegeven beschikking waarbij een door de verdachte ingediend bezwaarschrift tegen de dagvaarding alsnog ongegrond is verklaard.
Voor het verloop van de procedure en de motivering van de bestreden beschikking verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1 en 4.2.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof het bezwaarschrift ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd alsnog ongegrond heeft verklaard.
3.2. Voor zover het middel steunt op de opvatting dat de rechter die in een door het openbaar ministerie ingesteld beroep heeft te beslissen over een bezwaarschrift tegen de dagvaarding alleen de inhoud van het aan de eerste rechter ter beschikking gestelde dossier in zijn oordeel mag betrekken, en derhalve geen acht mag slaan op processtukken die het openbaar ministerie na het instellen van zijn beroep heeft overgelegd, faalt het omdat een dergelijke beperking geen steun vindt in het recht. Ook bij de beslissing op een door het openbaar ministerie ingesteld beroep tegen een op de voet van art. 262 Sv Pro uitgesproken (gedeeltelijke) buitenvervolgingstelling is de rechter bevoegd, en in beginsel ook gehouden, alle aan hem ter beschikking gestelde processtukken in zijn beoordeling te betrekken.
3.3. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof niet (nader) heeft gemotiveerd waarom uit de inhoud van het op dat moment uit 107 ordners bestaande procesdossier blijkt dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, een bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit kan bereiken, kan het evenmin doel treffen.
Het Hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat het kennis heeft genomen van de stukken van het dossier, en was, mede gelet op het verhandelde bij de behandeling in raadkamer, niet gehouden uiteen te zetten hoe de inhoud van die stukken zijn oordeel kan dragen.
3.4. Het middel faalt.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2013.