ECLI:NL:HR:2013:CA3310

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/02226
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad beoordeelt het beroep en constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep is gedaan.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot 870 dagen, waarvan 433 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

De overige middelen van cassatie worden niet behandeld omdat zij geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken op 18 juni 2013.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 870 dagen, waarvan 433 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

18 juni 2013
Strafkamer
nr. S 12/02226
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 maart 2011, nummer 23/003239-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede, het derde en het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 900 dagen, waarvan 433 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 870 dagen, waarvan 433 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 juni 2013.