ECLI:NL:HR:2013:CA0264

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/01905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:268 BWArt. 3:269 BWArt. 522 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid bank tot executoriale verkoop na beslaglegging en uitleg algemene voorwaarden

In deze zaak stond de vraag centraal of de bank bevoegd was tot executoriale verkoop van onroerende goederen na executoriale beslaglegging door schuldeisers. Tevens werd de uitleg van de algemene voorwaarden van de bank en het lossingsrecht besproken, evenals de vraag of verkoop onder marktwaarde was toegestaan.

De procedure begon bij de rechtbank Dordrecht met vonnissen in maart en augustus 2010, gevolgd door een arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage in december 2011. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, terwijl de banken verstek lieten gaan.

De Advocaat-Generaal adviseerde verwerping van het cassatieberoep op grond van artikel 81 lid 1 RO Pro. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding, die nihil werden begroot aan de zijde van de banken. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Drion, Polak en in het openbaar uitgesproken door Loth op 12 juli 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt in de kosten veroordeeld.

Uitspraak

12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 12/01905
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
t e g e n
1. RABO HYPOTHEEKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. DE COÖPERATIEVE RABOBANK VIJFHEERENLANDEN U.A.,
gevestigd te Vianen,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de banken.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
de vonnissen in de zaak 84889/HA ZA 10-2050 van de rechtbank Dordrecht van 10 maart 2010 en 4 augustus 2010;
het arrest in de zaak 200.078.410/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 20 december 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de banken is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping met toepassing vanart. 81 lid 1 RO.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 17 mei 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de banken begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheerM.A. Loth op
12 juli 2013.