ECLI:NL:HR:2013:BZ7948
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over voogdij na internationale adoptie en verwijst zaak terug
In deze zaak gaat het om een internationale adoptie van een minderjarige uit Ghana door verzoekers die de Duitse nationaliteit hebben. De minderjarige werd zonder de vereiste beginseltoestemming van het Ministerie van Justitie naar Nederland gebracht. De rechtbank wees Bureau Jeugdzorg aan als voorlopige voogd, terwijl verzoekers voerden dat zij zelf gezag hadden over de minderjarige.
Het hof oordeelde dat het in het belang van het kind was dat Bureau Jeugdzorg de voogdij uitoefent, mede vanwege mogelijke adoptiegerelateerde problematiek en de noodzaak van begeleiding van verzoekers. Verzoekers stelden dat dit een inbreuk maakte op hun recht op respect voor privé- en gezinsleven (art. 8 EVRM Pro), maar het hof heeft deze stelling niet beoordeeld.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend door deze stelling niet te betrekken in zijn oordeel. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het beroep op art. 8 EVRM Pro.
De overige klachten van verzoekers worden niet behandeld omdat zij niet leiden tot rechtsontwikkeling. De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging in zaken van internationale adoptie en voogdij, waarbij fundamentele rechten moeten worden meegewogen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofbeslissing en verwijst zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van art. 8 EVRM.