ECLI:NL:HR:2013:BZ7145

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/01690
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227b SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gevangenisstraf wegens opzettelijke uitkeringsfraude ondanks woonplaats Curaçao

De verdachte werd door het gerechtshof Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 35 dagen wegens het opzettelijk niet verstrekken van gegevens die van belang waren voor het vaststellen van zijn recht op een uitkering. Het hof motiveerde de straf onder meer met de ernst van het feit en het feit dat verdachte sinds april 2009 woonachtig is op Curaçao, waardoor een werkstraf niet ten uitvoer kon worden gelegd.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegde omdat een werkstraf niet uitvoerbaar zou zijn vanwege zijn woonplaats. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht rekening hield met de uitvoerbaarheid van de straf, maar dat dit niet de enige reden was voor de gevangenisstraf. De straf was passend gelet op de aard, ernst en duur van het feit.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Landsverordening in november 2011 taakstraffen niet tot het wettelijk straffenarsenaal op Curaçao behoorden, wat het oordeel van het hof begrijpelijk maakt. Hoewel de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, zag de Hoge Raad geen aanleiding tot rechtsgevolgen vanwege de korte duur van de straf.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de gevangenisstraf van 35 dagen ongewijzigd bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van 35 dagen wegens opzettelijke uitkeringsfraude.

Uitspraak

16 april 2013
Strafkamer
nr. S 11/01690
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 maart 2011, nummer 24/000730-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. de Vries, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over de motivering van de oplegging van een gevangenisstraf in plaats van de door de Advocaat-Generaal gevorderde werkstraf.
2.2. Het Hof heeft de verdachte ter zake van het misdrijf van art. 227b Sr veroordeeld tot een gevangenisstraf van 35 dagen. Het heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft gedurende een lange periode opzettelijk nagelaten gegevens te verstrekken die van belang waren voor het vaststellen van zijn recht op een uitkering. Verdachte heeft nagelaten te vermelden dat hij gedurende die periode samenwoonde met zijn (ex)vriendin. Door aldus te handelen wordt het stelsel van sociale zekerheidsuitkeringen ernstig ondermijnd. Dit stelsel is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat rechthebbenden zelf hun verantwoordelijkheid nemen door tijdig melding te maken van relevante gegevens.
Het hof heeft kennis genomen van een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Uit het uittreksel uit de gemeentelijk basisadministratie blijkt dat verdachte vanaf 23 april 2009 woonachtig is op Curaçao. De raadsman heeft ter zitting aangegeven dat verdachte daar zijn leven heeft opgebouwd en dat hij daar thans ook een baan heeft gevonden. Gezien het vorenstaande acht het hof de kans dat verdachte zich binnen afzienbare tijd weer in Nederland gaat vestigen erg klein. Dit maakt dat een werkstraf, zoals geëist door de advocaat-generaal, niet ten uitvoer kan worden gelegd. Gelet hierop zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur overeenkomt met die van de vervangende hechtenis behorende bij de door de advocaat-generaal geëiste werkstraf."
2.3. De Hoge Raad stelt voorop enerzijds dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met de manier waarop de op te leggen straf zal worden tenuitvoergelegd en anderzijds dat niet enige rechtsregel de rechter voorschrijft daarmee wel rekening te houden. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is immers voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl die keuze geen motivering behoeft (vgl. HR 23 maart 2010, LJN BK9252, NJ 2010/393).
2.4. Het middel neemt kennelijk tot uitgangspunt dat het Hof heeft geoordeeld dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf uitsluitend aangewezen acht, omdat de verdachte woonachtig is in Curaçao en een werkstraf daarom niet ten uitvoer kan worden gelegd. Dat uitgangspunt mist feitelijke grondslag nu het Hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 35 dagen kennelijk passend en geboden heeft geacht gelet op de aard, de ernst en de lange duur van het feit. Het in het middel aangevallen oordeel van het Hof dat een werkstraf niet tenuitvoergelegd kan worden is voorts, gelet op hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5 en 3.7 niet onbegrijpelijk, waarbij opmerking verdient dat vóór de inwerkingtreding op 15 november 2011 van de Landsverordening van 2 november 2011, houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht (Pb. 2011/48) de taakstraf niet behoorde tot het wettelijk straffenarsenaal in Curaçao.
2.5. Het middel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 35 dagen en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 16 april 2013.