ECLI:NL:HR:2013:BZ1543

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/00182
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding redelijke termijn in cassatiefase en verwerping beroep

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging en vermindering van de straf, maar verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen en oordeelde dat het eerste en tweede middel niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Het derde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vanwege te late inzending van stukken door het hof.

De Hoge Raad stelde vast dat de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep was afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn voldoende was gecompenseerd. Daarom was er geen sprake van een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.

Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest werd uitgesproken door de raadsheren De Savornin Lohman, Groos en Jörg op 19 februari 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens voldoende compensatie van de overschrijding van de inzendtermijn.

Uitspraak

19 februari 2013
Strafkamer
nr. S 12/00182
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 23 december 2011, nummer 21/001116-11, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3. Het middel faalt derhalve.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 februari 2013.