ECLI:NL:HR:2013:BY9704
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep en cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie. Het hof stelde vast dat het hoger beroep circa twee jaar en negen maanden na het instellen van appel werd behandeld, waarbij ook meerdere wrakingsverzoeken van de verdachte tot vertraging leidden. Het hof achtte dat een enkele vaststelling van de inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM voldoende was en verbond daaraan geen rechtsgevolg.
De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof over de overschrijding in hoger beroep begrijpelijk en voldoende gemotiveerd was. Echter, in cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van cassatie werd gedaan. Dit leidde tot een gegronde klacht en tot vermindering van de straf.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en stelde deze vast op elf jaar en vier maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door een kamer van vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president W.A.M. van Schendel op 5 februari 2013.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot elf jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.