ECLI:NL:HR:2013:BY7845
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op journalistieke bronbescherming tegen openbaarmaking in civiele procedure
In deze civiele zaak vorderde eiser vergoeding van immateriële schade wegens onrechtmatige publicatie in het dagblad De Limburger, waarin hij werd betiteld als '(psychologisch) terrorist'. De artikelen waren gebaseerd op verklaringen van bewoners van het appartementencomplex waar eiser woonde. Tijdens het getuigenverhoor werd een getuige belet antwoord te geven op vragen die zouden leiden tot onthulling van bronnen, op grond van artikel 179 lid 2 Rv Pro.
De raadsheer-commissaris motiveerde dit verbod met een belangenafweging tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en bronbescherming van de pers enerzijds, en het recht op een eerlijk proces en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van eiser anderzijds. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en toepassing van artikel 179 lid 2 Rv Pro, waarbij het EHRM-arrest van 22 november 2012 (Telegraaf Media c.s./Nederland) werd betrokken.
De Hoge Raad oordeelde dat het verbod op beantwoording van de vragen gerechtvaardigd was, omdat het bekend raken van de identiteit van bronnen een verkillend effect kan hebben op de persvrijheid. Het hof had eerder geoordeeld dat De Limburger c.s. niet onrechtmatig hadden gehandeld en de vorderingen van eiser afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel dat het recht op journalistieke bronbescherming prevaleert boven het recht op verweer in deze zaak.