ECLI:NL:HR:2013:BY6024
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-tijdige betaling griffierecht
De vrouw diende een cassatieberoep in tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem, maar betaalde het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na indiening van het verzoekschrift. De betaling vond pas plaats na het verstrijken van de termijn, namelijk op 8 november 2012, terwijl de termijn op 11 oktober 2012 eindigde.
De Hoge Raad vroeg de advocaat van de vrouw om een schriftelijke toelichting op de late betaling. De advocaat gaf aan dat de nota voor het griffierecht pas op 29 oktober 2012 werd ontvangen, mogelijk door een fout in de adresverwerking door de Afdeling Financiën van de Hoge Raad. De vrouw verzocht de toepassing van de hardheidsclausule op grond van art. 282a lid 4 Rv.
De Hoge Raad oordeelde dat advocaten geacht worden op de hoogte te zijn van de betalingstermijn en de gevolgen van overschrijding daarvan. Het niet tijdig ontvangen van de nota is geen verschoonbare reden voor het te laat betalen van het griffierecht. Er waren geen feiten of omstandigheden die een beroep op de hardheidsclausule konden rechtvaardigen. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.