ECLI:NL:HR:2013:BY4196
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing inzageverzoek persoonsgegevens onder Wbp
Verzoekster heeft bij de lagere instanties verzocht om inzage van haar verwerkte persoonsgegevens bij RBS c.s., op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De rechtbank en het gerechtshof hebben dit verzoek afgewezen. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissingen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verzoekster onderzocht en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Er is geen noodzaak tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van RBS c.s. komt daardoor niet aan de orde.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere uitspraken en veroordeelt verzoekster in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak onderstreept de strikte toepassing van het inzagerecht op grond van de Wbp en bevestigt dat niet elk verzoek tot inzage automatisch moet worden ingewilligd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en het inzageverzoek blijft afgewezen.