ECLI:NL:HR:2013:BY4196

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04410
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet bescherming persoonsgegevensArt. 43 Wet bescherming persoonsgegevensArt. 46 Wet bescherming persoonsgegevensArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing inzageverzoek persoonsgegevens onder Wbp

Verzoekster heeft bij de lagere instanties verzocht om inzage van haar verwerkte persoonsgegevens bij RBS c.s., op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De rechtbank en het gerechtshof hebben dit verzoek afgewezen. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissingen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verzoekster onderzocht en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Er is geen noodzaak tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van RBS c.s. komt daardoor niet aan de orde.

De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere uitspraken en veroordeelt verzoekster in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak onderstreept de strikte toepassing van het inzagerecht op grond van de Wbp en bevestigt dat niet elk verzoek tot inzage automatisch moet worden ingewilligd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en het inzageverzoek blijft afgewezen.

Uitspraak

8 februari 2013
Eerste Kamer
11/04410
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,
t e g e n
1. THE ROYAL BANK OF SCOTLAND N.V. (voorheen ABN AMRO Bank N.V.),
gevestigd te Amsterdam,
2. ABN AMRO BANK N.V. ,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTERS in cassatie, verzoeksters in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. L.B. de Graaf .
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en RBS c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 422981/HA RK 09-213 van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2009 en 22 juli 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.075.982/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 5 juli 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. RBS c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
RBS c.s. heeft verzocht het principale beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het principale beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RBS c.s. begroot op € 339,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 februari 2013.