Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 24 april 2012, nr. BK-11/00275, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende werd voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. De Rechtbank te ’s-Gravenhage verklaarde het beroep tegen deze uitspraak ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Hof. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad met drie middelen. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, en belanghebbende een conclusie van repliek. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 18 oktober 2013.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 2005.