Uitspraak
wonende te [woonplaats],
kantoorhoudende te [plaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
lBW).
De vereffenaar en de bewindvoerder hebben het hoger beroep tegengesproken.
De vader heeft daarom niet een vordering – ter grootte van het saldo van de vruchten die het kind op zijn vermogen heeft genoten – die gedurende het bewind op het onder bewind gestelde vermogen kan worden uitgewonnen. Deze vordering correspondeert immers niet met een in art. 4:175 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW bedoelde schuld. Daaraan doet niet af dat de renteopbrengsten vanaf het moment van bijschrijving op de bankrekening hebben te gelden als burgerlijke vrucht - in de zin van art. 3:9 lid 2 BW Pro - van het aan de zoon toekomende banksaldo.
4.Beslissing
18 oktober 2013.