Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
15 oktober 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een opgeëiste persoon tegen een uitleveringsbeslissing van de Rechtbank 's-Gravenhage. De Republiek Servië verzocht om uitlevering ter tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van twee jaar en tien maanden opgelegd door het Gerechtshof te Belgrado.
De Rechtbank had de uitlevering toelaatbaar verklaard, ondanks het ontbreken van een afschrift van een vonnis uit 2004 en onvoldoende aanduiding van tijd en plaats van de feiten in dat vonnis. De verdediging voerde aan dat het verzoek niet voldeed aan de eisen van artikel 18 van Pro de Uitleveringswet en artikel 12 van Pro het Europees Uitleveringsverdrag.
De Hoge Raad oordeelde dat de stukken die de Servische autoriteiten hadden overgelegd niet voldeden aan de eis van artikel 12 EUV Pro, omdat een nauwkeurige uiteenzetting van de feiten, inclusief tijd en plaats, ontbrak voor de feiten uit het vonnis van 29 maart 2004. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak dat uitlevering toestaat voor deze feiten en verklaarde de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering ontoelaatbaar voor de feiten uit het vonnis van 29 maart 2004 wegens onvoldoende feitelijke specificatie.