ECLI:NL:HR:2013:936

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2013
Publicatiedatum
14 oktober 2013
Zaaknummer
12/00291
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen en navorderingsaanslagen

In deze zaak stonden de belastingaanslagen over de jaren 1990 tot en met 2000 in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, alsmede de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 centraal. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën hadden tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende en het middel van de Staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot cassatie. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten en het middel geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Verder heeft de Hoge Raad beslist dat belanghebbende niet in de proceskosten wordt veroordeeld, terwijl de Staatssecretaris wel wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Schaap, Fierstra en Groeneveld en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013. Tevens is een griffierecht van € 454 geheven van de Staat voor het cassatieberoep van de Staatssecretaris.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitspraak

11 oktober 2013
nr. 12/00291
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de
Staatsecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Hertogenboschvan 9 december 2011, nr. 04/01607, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2000 opgelegde belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd respectievelijk een middel voorgesteld.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 454.