ECLI:NL:HR:2013:905

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2013
Publicatiedatum
9 oktober 2013
Zaaknummer
12/00941 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn bij economische profijtontneming

De betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in een strafzaak betreffende economische profijtontneming. De advocaat-generaal concludeerde tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting en verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad beoordeelde het eerste middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard, wat leidde tot vermindering van de betalingsverplichting van € 3.247,- naar € 3.085,-.

De overige middelen werden niet-ontvankelijk verklaard of verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en wees het beroep voor het overige af. Hiermee werd de betalingsverplichting verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 3.085,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

8 oktober 2013
Strafkamer
nr. 12/00941 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 10 februari 2012, nummer 20/001065-10, in de strafzaak tegen:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het eerste middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond
.Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 3.247,-.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 3.085,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2013.