Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 oktober 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld wegens het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig gezag en opzicht van de vader gedurende twee periodes in 2010. De verdachte hield zich niet aan de bij rechterlijke beschikking vastgestelde omgangsregeling, door de kinderen niet mee te geven op afgesproken dagen, de deur niet te openen en de verblijfplaats onbekend te houden.
De verdediging voerde aan dat de strafbaarheid ontbreekt omdat de omgangsregeling niet aan de verdachte was betekend en er geen afdwingbare verplichting zou zijn tot naleving. Het hof verwierp deze verweren, stellende dat de rechtskracht van de rechterlijke uitspraak niet afhankelijk is van betekening en dat de verdachte voldoende bekend was met de regeling.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het arrest benadrukt dat het niet betekend zijn van een omgangsregeling niet betekent dat het onttrekken aan gezag niet strafbaar is volgens art. 279 Sr Pro. Het beroep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens onttrekking van minderjarigen aan het gezag blijft gehandhaafd.