ECLI:NL:HR:2013:880

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2013
Publicatiedatum
8 oktober 2013
Zaaknummer
11/04206
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 13 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 70 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens verjaring van vervolging op Opiumwet-artikel

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en meerdere feiten in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het hof legde een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden op.

De Hoge Raad oordeelt dat de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit, dat betrekking heeft op handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet, verjaard is omdat de feiten dateren van 1998 tot 2001 en de verjaringstermijn is verstreken. Daarom verklaart de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk voor dit feit.

Het arrest wordt vernietigd voor zover het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging betreft. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor nieuwe berechting en afdoening van de strafoplegging. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: De vervolging voor het onder 3 tenlastegelegde is verjaard en de OvJ wordt niet-ontvankelijk verklaard, met terugwijzing voor nieuwe strafoplegging.

Uitspraak

8 oktober 2013
Strafkamer
nr. 11/04206
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 juli 2011, nummer 22/002199-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1961.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw te berechten en af te doen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.
Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte – zakelijk weergegeven – tenlastegelegd:
1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
2. Opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3 onder Pro A Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
3. Opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder Pro B Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
4. Handelen in strijd met art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Het Hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.
3.2.
De hiervoor onder 3 vermelde feiten zijn bij art. 3 onder Pro B in verbinding met de art. 11, tweede lid, en 13, tweede lid, Opiumwet strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld.
3.3.
Deze feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot 7 september 2001. Op grond van art. 70, eerste lid, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft deze feiten is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.
3.4.
De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de Officier van Justitie te dier zake alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

4.Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 3 tenlastegelegde;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2013.