Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
8 oktober 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en meerdere feiten in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het hof legde een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden op.
De Hoge Raad oordeelt dat de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit, dat betrekking heeft op handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet, verjaard is omdat de feiten dateren van 1998 tot 2001 en de verjaringstermijn is verstreken. Daarom verklaart de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk voor dit feit.
Het arrest wordt vernietigd voor zover het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging betreft. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor nieuwe berechting en afdoening van de strafoplegging. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De vervolging voor het onder 3 tenlastegelegde is verjaard en de OvJ wordt niet-ontvankelijk verklaard, met terugwijzing voor nieuwe strafoplegging.