Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
8 oktober 2013.
Hoge Raad
Op 14 mei 2009 werd door de politie vastgesteld dat een vrachtwagen met kenteken AA-00-BB op de A12 bij Woerden drukhouders met propaan en butaan vervoerde, waarvan zeven kunststof drukhouders geen gevaarsetiket droegen. De verdachte werd vervolgd wegens overtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het ADR-etiketteringsvoorschrift.
Het hof oordeelde dat elke afzonderlijke gevulde of niet geheel lege drukhouder voorzien moet zijn van een etiket, ongeacht dat alle houders dezelfde stof bevatten en in één kooi werden vervoerd. Het hof verwierp het verweer dat de houders leeg waren, omdat de aanwezigheid van vloeistof impliceert dat de inhoud nog onder druk stond, conform ADR-randnummer 5.2.2.2.1.2.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. Het etiketteringsvoorschrift dient een doeltreffende bescherming van mens en milieu en vereist dat snel kan worden vastgesteld welke gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het oordeel van het hof was niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde het arrest van het hof Arnhem van 28 februari 2012. Hiermee blijft de veroordeling van de verdachte in stand wegens het niet naleven van de etiketteringsplicht bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat elke niet geheel lege drukhouder met propaan of butaan voorzien moet zijn van een gevaarsetiket en wijst het cassatieberoep af.