ECLI:NL:HR:2013:787

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2013
Publicatiedatum
27 september 2013
Zaaknummer
12/05056
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 4 lid 3 sub b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij hoofdverblijfplaats kinderen in familierechtelijke zaak

In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om uitspraak te doen over de hoofdverblijfplaats van kinderen in een familierechtelijke procedure. De procedure begon bij de rechtbank ’s-Gravenhage en werd voortgezet bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. De man, woonachtig in Nederland, stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof, terwijl de vrouw in Suriname woonde en niet verscheen in het cassatieproces.

De Hoge Raad verwees naar de eerdere uitspraken van lagere instanties en concludeerde dat de klachten van de man niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad oordeelde dat gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen nadere motivering nodig was, omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uiteindelijk wees de Hoge Raad het cassatieberoep af en bevestigde daarmee de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze familierechtelijke kwestie. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de vice-president van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter bevestigd.

Uitspraak

27 september 2013
Eerste Kamer
nr. 12/05056
EV/AS
Eerste Kamer
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. de Boorder,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats], Suriname,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaken 388641/FA RK 11-1680 en 407218/FA RK 11-8909 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 februari 2012;
b. de beschikking in de zaken 200.104.277/01 en 200.104.278/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 8 augustus 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 16 juli 2013 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op
27 september 2013.