Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
24 september 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, maar dat het beroep voor het overige verworpen moest worden.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, mede doordat de stukken te laat door het Hof waren ingezonden.
Hoewel meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, en ondanks de opgelegde werkstraf en voorwaardelijke hechtenis met proeftijd, zag de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad constateert overschrijding van de redelijke termijn maar verwerpt het cassatieberoep zonder verdere rechtsgevolgen.