ECLI:NL:HR:2013:714

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2013
Publicatiedatum
19 september 2013
Zaaknummer
13/02988
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 Wet BopzArt. 2 Wet Bopz
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis wegens niet-gehoord zijn betrokkene

In deze zaak ging het om een voorlopige machtiging tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank Oost-Nederland had op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verleend zonder betrokkene te horen, hoewel diens advocaat en familie wel aanwezig waren.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank in strijd met artikel 8 Wet Pro Bopz had gehandeld omdat zij niet had vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen. De Hoge Raad oordeelde dat de rechter voorafgaand aan het verlenen van een voorlopige machtiging de betrokkene moet horen, tenzij wordt vastgesteld dat betrokkene niet bereid is te verschijnen. De rechtbank had dit niet vastgesteld noch gemotiveerd.

Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van de rechtbank Overijssel, en verwees de zaak naar de rechtbank Overijssel voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten behoefden geen behandeling meer.

Uitkomst: De voorlopige machtiging tot opname is vernietigd en de zaak is verwezen naar de rechtbank Overijssel voor verdere behandeling.

Uitspraak

20 september 2013
Eerste Kamer
13/02988
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/08/135975 / FA RK 13-325 (L.R.) van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo, van 20 maart 2013 en de herstelbeschikking van 23 april 2013.
De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank van 20 maart 2013 heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft de rechtbank op 7 maart 2013 verzocht op de voet van art. 2 Wet Pro Bopz een voorlopige machtiging te verlenen tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
(ii) De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 20 maart 2013. Daarbij was betrokkene niet aanwezig.
Wel aanwezig waren de advocaat van betrokkene, de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, en een zus en de moeder van betrokkene.
3.2
De rechtbank Oost-Nederland heeft bij beschikking van 20 maart 2013 de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Deze beschikking is verbeterd bij herstelbeschikking van de rechtbank Overijssel van 23 april 2013. Blijkens de verbeterde beschikking is betrokkene niet gehoord.
3.3
Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank in strijd met art. 8 Wet Pro Bopz de verzochte machtiging heeft verleend zonder dat betrokkene door de rechtbank is gehoord.
Het onderdeel voert aan dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wilde worden.
De klacht slaagt.
Ingevolge art. 8 Wet Pro Bopz dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. De rechtbank heeft in haar beschikking niet vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en heeft derhalve ook niet de gronden vermeld waarop dat oordeel berust. Dit brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland van 20 maart 2013, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van de rechtbank Overijssel van 23 april 2013;
verwijst de zaak naar de rechtbank Overijssel ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
20 september 2013.