Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad beoordeelde twee middelen, waarvan het eerste geen cassatiegrond opleverde. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad zelf meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.
De Hoge Raad achtte het middel gegrond en concludeerde dat de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 32 maanden en 2 weken naar 28 maanden en 2 weken. De rest van het beroep werd verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van het naleven van redelijke termijnen in strafprocedures en de gevolgen van overschrijding daarvan.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en handhaafde het verder. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken op 10 september 2013.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 32 maanden en 2 weken naar 28 maanden en 2 weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.