Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het negende middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De Hoge Raad beoordeelde onder meer de toepassing van de Promis-werkwijze en de aanvulling met bewijsmiddelen conform artikel 365a Sv. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring op juiste wijze had gebaseerd op de bewijsmiddelen en deze in samenhang met de feiten en omstandigheden had gewogen.
Daarnaast werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een gegrond middel en een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar naar 22 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 24 naar 22 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.