Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarbij de aanvrager was veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften, met een gevangenisstraf en geldboete als straf.
De aanvraag tot herziening baseerde zich op nieuwe verklaringen van een medeverdachte die deels terugkwam op eerdere verklaringen, en op een recent arrest van de Hoge Raad over de toepassing van het nultarief bij intracommunautaire leveringen in btw-zaken. De aanvrager stelde dat bij bekendheid met deze gegevens een vrijspraak of minder zware straf zou zijn uitgesproken.
De Hoge Raad oordeelde dat de nieuwe verklaringen geen ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek anders had moeten verlopen, omdat het hof zijn oordeel niet uitsluitend op die verklaringen had gebaseerd. Ook het arrest over btw-vrijstellingen bood geen grond voor herziening, mede omdat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde stukken niet tot een ander oordeel leidden en omdat het hof niet had toegelicht waarop het oordeel over willens en wetens handelen was gebaseerd.
De Hoge Raad besloot een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie over de toepassing van btw-vrijstellingen bij fraude, maar wees het herzieningsverzoek af en wees het verzoek tot aanhouding van de procedure af. Daarmee blijft de veroordeling in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en houdt de veroordeling in stand.