ECLI:NL:HR:2013:626

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2013
Publicatiedatum
5 september 2013
Zaaknummer
13/01466
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake vaststelling Nederlandse nationaliteit

In deze zaak heeft verzoekster beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage inzake de vaststelling van haar Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. De Staat der Nederlanden heeft geen verweerschrift ingediend. De Procureur-Generaal heeft zich uitgesproken voor niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).

De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten onderzocht en geoordeeld dat deze geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat verzoekster klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien het standpunt van de Procureur-Generaal en de wettelijke bepalingen heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De beschikking van de rechtbank, waarop het cassatieberoep betrekking heeft, is aan de uitspraak gehecht. De beslissing is genomen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer M.A. Loth op 6 september 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gegrondheid.

Uitspraak

6 september 2013
Eerste Kamer
13/01466
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. L.C. Blok,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 425267/HA RK 12-466 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 december 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
6 september 2013.