Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
27 augustus 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het hof het onderzoek ter terechtzitting terecht had voortgezet nadat verstek was verleend tegen de verdachte die niet was verschenen. Volgens art. 588a Sv moet een afschrift van de dagvaarding aan een adres worden toegezonden waarbij de termijn voor dagvaarding in acht moet worden genomen. In dit geval was de termijn van tien dagen niet gerespecteerd.
De stukken van het geding bevatten geen aanwijzing dat de termijnverkorting met toestemming van de verdachte had plaatsgevonden of dat een uitzondering van art. 590, derde lid, Sv van toepassing was. De verdachte was niet verschenen op de terechtzitting. Het hof had daarom het onderzoek moeten schorsen in plaats van voortzetten.
Het voortzetten van het onderzoek ondanks dit verzuim wordt gezien als een ernstige schending van de behoorlijke procesorde, waardoor het onderzoek nietig is en de uitspraak vernietigd moet worden. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van de dagvaardingstermijn en het voortzetten van het onderzoek zonder schorsing na verstek.