Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te 's-Gravenhagevan 18 oktober 2012, nr. AWB 11/1888, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigen-belasting, nr. [001].
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht, met telkens een termijn van vier weken om dit te voldoen.
De aangetekende brieven werden wegens onbestelbaarheid retour gezonden, waarna de stukken per gewone brief naar het adres van belanghebbende zijn verzonden. Ondanks deze pogingen heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan en evenmin gereageerd op de verzoeken om opheldering.
Op grond van artikel 8:41, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie derhalve niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor het opleggen van proceskosten aan belanghebbende.
Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, op 9 augustus 2013.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.