Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 10 januari 2013, nr. 11/00925, betreffende een aanslag in de precariobelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2011 een aanslag in de precariobelasting opgelegd door de gemeente Amsterdam. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar de aanslag. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze uitspraak ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de uitspraak van de rechtbank bevestigde.
Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, waarbij meerdere klachten werden aangevoerd tegen de uitspraak van het hof. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam diende een verweerschrift in, en belanghebbende een conclusie van repliek.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 9 augustus 2013, waarbij het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard en de eerdere uitspraken daarmee definitief bevestigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie tegen de aanslag precariobelasting is ongegrond verklaard.