ECLI:NL:HR:2013:42

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2013
Publicatiedatum
4 juli 2013
Zaaknummer
12/02004
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid rechter bij vermogensrechtelijke afwikkeling buitenhuwelijkse relatie

De zaak betreft een geschil tussen een vrouw en een man over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een vermogensrechtelijke afwikkeling van hun buitenhuwelijkse relatie. De vrouw heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage, dat de Nederlandse rechter bevoegd achtte.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank en het hof en neemt kennis van de conclusies van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het beroep strekken. De klachten van de vrouw in het cassatiemiddel worden niet gegrond bevonden en leiden niet tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep en bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 28 juni 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en iedere partij draagt de eigen kosten.

Uitspraak

28 juni 2013
Eerste Kamer
nr. 12/02004
EE/DH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. E.J. Kim-Meijer,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats], Australië,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. B.J. van Dorp.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 349167 HA ZA 09-3391 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2009;
het arrest in de zaak 200.064.780/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 28 juni 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat. Wat betreft de toelichting door de vrouw zij verwezen naar de rolbeschikking van 16 november 2012, LJN BY3317, NJ 2012/655.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsherenC.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
28 juni 2013.