Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
20 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen man en vrouw na hun echtscheiding in 2000. De rechtbank en het hof hadden eerder de gemeenschap verdeeld en de man veroordeeld tot betaling van bepaalde bedragen aan de vrouw.
De man stelde cassatieberoep in tegen de wijze van verdeling en de berekening van de bedragen die hij aan de vrouw moest betalen. Het hof had onder meer een schuld aan de Postbank betrokken in de verdeling, terwijl deze schuld inmiddels was afgelost. Daarnaast was het spaarloon van de vrouw onjuist vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een vergissing had gemaakt door de afgeloste schuld mee te rekenen en het spaarloon te laag vast te stellen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het spaarloon en de overbedeling betroffen en stelde deze bedragen zelf vast op respectievelijk € 2.451,59 voor het spaarloon en € 8.737,34 voor de overbedeling.
De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt. Hiermee werd het geschil definitief afgedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt delen van het arrest van het hof en stelt het spaarloon en de overbedeling correct vast.