Uitspraak
wonende te [woonplaats], Duitsland,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 december 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verzoek tot ontslag van de executeur van een nalatenschap centraal, zoals geregeld in artikel 4:149 lid 1 aanhef Pro en onder f en lid 2 BW. De kantonrechter te Enschede wees het verzoek af, hetgeen door het gerechtshof Arnhem werd bekrachtigd.
De verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep, waarop de verzoekster reageerde. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Daarmee werd het beroep verworpen en bleef de beschikking van het hof in stand. De uitspraak werd gedaan door een kamer van de Hoge Raad, waarbij de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, G. de Groot en M.A. Loth betrokken waren.
Uitkomst: Het verzoek tot ontslag van de executeur van de nalatenschap is afgewezen en het cassatieberoep verworpen.