Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 december 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal welke datum geldt als peildatum voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de huwelijksgoederengemeenschap bij echtscheiding, met name voor aandelen en opties Philips die tot de gemeenschap behoren.
De rechtbank had de peildatum gesteld op 23 april 2010, terwijl het hof dit wijzigde naar 1 februari 2011, met als motief dat de vrouw de echtscheiding onnodig had vertraagd en het onredelijk zou zijn dat zij daarvan profiteert. De vrouw had hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking en dit later ingetrokken, waarna de beschikking pas op 15 juni 2011 werd ingeschreven.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte heeft afgeweken van het wettelijke tijdstip van ontbinding van de gemeenschap, namelijk de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (artikel 1:149 BW Pro in verbinding met artikel 1:163 BW Pro). Afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid is niet toegestaan. De beschikking van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.
Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de wettelijke peildatum bij verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en sluit afwijking daarvan uit, ook als een partij het proces onnodig vertraagt.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de peildatum voor de samenstelling en omvang van de huwelijksgoederengemeenschap het tijdstip van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking is, zonder afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid.