Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te ’s-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over executoriaal derdenbeslag dat het Openbaar Ministerie heeft gelegd op de bankrekening van eiser en zijn echtgenote ter uitvoering van een dwangbevel tot betaling van een strafrechtelijke boete van € 20.000. Eiser vorderde bij de civiele rechter opheffing van het beslag en een verbod op nieuwe beslaglegging, stellende dat het beslag onrechtmatig is en hij daardoor geen middelen van bestaan overhoudt.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen af, maar het gerechtshof verklaarde eiser niet-ontvankelijk omdat hij zijn verzet tegen de beslaglegging niet bij de strafrechter had ingediend. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 575 lid 3 en Pro artikel 576 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat bij de strafrechter om bezwaar te maken tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
Eiser stelde in cassatie dat het verzet pas mogelijk is nadat beslag is gelegd en dat een algeheel beslagverbod ook civielrechtelijk kan worden gevorderd. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat verzet tegen de tenuitvoerlegging of het verhaal kan worden ingesteld vanaf het moment dat het dwangbevel wordt betekend of het verhaal wordt aangekondigd, zonder dat eerst beslag hoeft te zijn gelegd.
De Hoge Raad concludeerde dat de civiele rechter niet-ontvankelijk is in een vordering tot het opleggen van een verbod tot beslaglegging indien de geëxecuteerde de mogelijkheid tot verzet bij de strafrechter heeft. Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de civiele vordering tot opheffing en verbod van beslag niet-ontvankelijk omdat verzet mogelijk is bij de strafrechter.