ECLI:NL:HR:2013:2046

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
18 december 2013
Zaaknummer
12/04282
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 lid 3 SvArt. 576 lid 6 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid civiele vordering tegen executoriaal derdenbeslag bij dwangbevel strafrechtelijke boete

De zaak betreft een geschil over executoriaal derdenbeslag dat het Openbaar Ministerie heeft gelegd op de bankrekening van eiser en zijn echtgenote ter uitvoering van een dwangbevel tot betaling van een strafrechtelijke boete van € 20.000. Eiser vorderde bij de civiele rechter opheffing van het beslag en een verbod op nieuwe beslaglegging, stellende dat het beslag onrechtmatig is en hij daardoor geen middelen van bestaan overhoudt.

De voorzieningenrechter wees de vorderingen af, maar het gerechtshof verklaarde eiser niet-ontvankelijk omdat hij zijn verzet tegen de beslaglegging niet bij de strafrechter had ingediend. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 575 lid 3 en Pro artikel 576 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat bij de strafrechter om bezwaar te maken tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

Eiser stelde in cassatie dat het verzet pas mogelijk is nadat beslag is gelegd en dat een algeheel beslagverbod ook civielrechtelijk kan worden gevorderd. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat verzet tegen de tenuitvoerlegging of het verhaal kan worden ingesteld vanaf het moment dat het dwangbevel wordt betekend of het verhaal wordt aangekondigd, zonder dat eerst beslag hoeft te zijn gelegd.

De Hoge Raad concludeerde dat de civiele rechter niet-ontvankelijk is in een vordering tot het opleggen van een verbod tot beslaglegging indien de geëxecuteerde de mogelijkheid tot verzet bij de strafrechter heeft. Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de civiele vordering tot opheffing en verbod van beslag niet-ontvankelijk omdat verzet mogelijk is bij de strafrechter.

Uitspraak

20 december 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04282
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 321775/KG ZA 12-200 van de rechtbank Utrecht van 6 april 2012;
b. het arrest in de zaak 200.106.763 van het gerechtshof te Arnhem van 10 juli 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam strafrechtelijk veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 20.000,--.
(ii) In het kader van de tenuitvoerlegging van dat arrest heeft het Openbaar Ministerie ten laste van [eiser] een dwangbevel uitgevaardigd voor genoemd bedrag.
(iii) Het Openbaar Ministerie heeft uit kracht van genoemd dwangbevel ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag laten leggen op onder meer de bankrekening van (de echtgenote van) [eiser]. Op deze rekening werden overgemaakt de toeslagen van de belastingdienst, de kinderbijslag en het gedeelte van de bijstandsuitkering van [eiser] dat onder de beslagvrije voet valt.
3.2
[eiser] heeft in dit kort geding veroordeling van de Staat gevorderd om het beslag op de bankrekening op te heffen en een verbod om opnieuw op deze rekening beslag te leggen. Daarnaast heeft hij veroordeling van de Staat gevorderd om eventueel reeds geïnde bedragen aan hem terug te betalen. Aan zijn vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat het beslag jegens hem onrechtmatig is. Op de bankrekening ontvangen hij en zijn echtgenote als gevolg van een eerder gelegd executoriaal derdenbeslag onder de Sociale Dienst slechts het bedrag van de “beslagvrije voet”. Het onderhavige beslag heeft daarom ten gevolge dat [eiser] geen middelen van bestaan meer overhoudt. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen.
3.3
Het hof heeft deze beslissing vernietigd en [eiser] alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het overwogen, kort samengevat, dat [eiser] ingevolge art. 575 lid 3 Sv Pro en art. 576 lid 6 Sv Pro verzet had kunnen doen tegen de tenuitvoerlegging, waarmee voor hem een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan om zijn bezwaren tegen de beslaglegging ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Voor een uitzondering wegens uitzonderlijke of buitengewoon spoedeisende omstandigheden heeft het hof geen gronden aanwezig geoordeeld. (rov. 3.3 en 3.4)
3.4
Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat deze verzetmogelijkheid eerst kan worden benut indien beslag wordt gelegd, maar dat daarmee niet “een algeheel beslagverbod, eveneens ziend op toekomstige beslaglegging onder hetzelfde dwangbevel” kan worden gevorderd of bewerkstelligd.
De klacht faalt. Het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel ingevolge art. 575 lid 3 Sv Pro of tegen het verhaal ingevolge art. 576 lid 6 Sv Pro kan vanaf de aanvang van de tenuitvoerlegging, respectievelijk het verhaal worden gedaan. De geëxecuteerde behoeft derhalve geen beslaglegging af te wachten, maar kan verzet doen zodra hij door de betekening van het dwangbevel of de kennisgeving van het verhaal kennis heeft gekregen van het voornemen tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel of het verhaal. In het geval waarin het verzet gegrond wordt verklaard, en het Openbaar Ministerie nogmaals tot tenuitvoerlegging of verhaal overgaat, kan de geëxecuteerde desgewenst wederom ingevolge art. 575 lid 3 Sv Pro of art. 576 lid 6 Sv Pro daartegen verzet doen. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat het hier bedoelde verzet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, die aan de ontvankelijkheid van een vordering tot het opleggen van een verbod tot het leggen van beslag bij de burgerlijke rechter in de weg staat.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 799,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, M.A. Loth, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
20 december 2013.