ECLI:NL:HR:2013:195

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 augustus 2013
Publicatiedatum
25 juli 2013
Zaaknummer
12/05870
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • C.B. Bavinck
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.54 lid 5 Wet IB 2001Art. 8 lid 1 Wet Vpb 1969Art. 1 letter J onderdeel 3 Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001Art. 14 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herinvesteringsvoornemen bij vervangingsreserve in vennootschapsbelasting

Belanghebbende, behorend tot een groep vennootschappen actief in onroerend goed, had voor het jaar 2005 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen. Deze aanslag werd gehandhaafd na bezwaar en vervolgens bevestigd door de Rechtbank Haarlem en het Gerechtshof Amsterdam.

In cassatie stond centraal of de vervangingsreserve, gevormd in 1999, in 2005 in de winst moest worden opgenomen wegens het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen. Het Hof had geoordeeld dat het herinvesteringsvoornemen op concernniveau niet zonder meer toerekenbaar is aan belanghebbende, tenzij bijkomende omstandigheden aannemelijk maken dat de investering door belanghebbende zelf zal worden gerealiseerd.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof dit terecht als uitgangspunt heeft genomen en dat de middelen die een andere rechtsopvatting voorstaan falen. Het oordeel van het Hof dat er geen bijkomende omstandigheden zijn, is feitelijk en kan in cassatie niet worden getoetst op juistheid of motivering. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en bevestigde hiermee de eerdere uitspraken van lagere instanties.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting wordt bevestigd.

Uitspraak

9 augustus 2013
nr. 12/05870
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
B.V. [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 15 november 2012, nr. 11/00428, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1.Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 09/5834) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.
Belanghebbende behoort tot een groep van vennootschappen die zich bezighoudt met de aan- en verkoop, alsmede de ontwikkeling en exploitatie van onroerende zaken (hierna: het concern). Belanghebbende heeft in 1999 een vervangingsreserve als bedoeld in artikel 14, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gevormd. In de jaren daarna heeft het concern met de gemeente [Q] onderhandeld over de (terug)koop van een aantal onroerende zaken.
3.2.
Voor het Hof was in geschil of de gevormde reserve in het onderhavige jaar (2005) op de voet van artikel 3.54, lid 5, aanhef, Wet IB 2001 in verbinding met artikel 1, letter J, onderdeel 3, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 in de winst van belanghebbende moet worden opgenomen wegens – kort gezegd – het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen.
3.3.
Bij de beoordeling van dit geschil heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat de omstandigheid dat belanghebbende behoort tot een groep van vennootschappen die zich bezighoudt met de aan- en verkoop, alsmede de ontwikkeling en exploitatie van onroerende zaken, van belang kan zijn bij de beoordeling of sprake is van een (her)investeringsvoornemen, maar dat dit niet zonder meer inhoudt dat dit investeringsvoornemen aan belanghebbende kan worden toegerekend. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist die aannemelijk maken dat bij realisatie van dit voornemen de investering door belanghebbende zal worden verwezenlijkt. De middelen 1 en 2, die een andere rechtsopvatting voorstaan, falen derhalve.
3.4.
Middel 3 richt zich tegen ‘s Hofs oordeel dat geen sprake is van bijkomende omstandigheden als hiervoor in 3.3 bedoeld.
Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel 3 faalt derhalve eveneens.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.