Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 29 juni 2012, nr. BK-10/00021, betreffende een naheffingsaanslag in de accijns.
Hoge Raad
Belanghebbende, een B.V., kreeg een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd over het jaar 2006. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage, bevestigde het Hof deze uitspraak. Belanghebbende stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het tijdsverloop van ongeveer vijf weken tussen het ontvangen van het controlerapport, waarin werd vastgesteld dat douanestempels vervalst waren, en het opleggen van de naheffingsaanslag onvoldoende was om belanghebbende de gelegenheid te geven bewijs te leveren dat de handeling regelmatig was of om de plaats van de overtreding aan te tonen. Hierdoor was de Inspecteur op het moment van oplegging nog niet bevoegd tot het opleggen van de aanslag.
De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken van Hof en Rechtbank en de naheffingsaanslag. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren op 12 juli 2013.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de naheffingsaanslag accijns wegens onvoldoende tijd voor belanghebbende om bewijs te leveren.