ECLI:NL:HR:2013:1870

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
09/03108
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • E.N. Punt
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over naheffingsaanslag omzetbelasting en prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 december 2013 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting die was opgelegd aan de gemeente Vlaardingen. De zaak is ontstaan na een eerdere uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 26 juni 2009, waarin de gemeente in het ongelijk werd gesteld. De Hoge Raad heeft in deze procedure een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die op 8 november 2012 heeft geoordeeld over de uitleg van de Zesde richtlijn inzake omzetbelasting. Het Hof van Justitie heeft vastgesteld dat de heffing van omzetbelasting kan plaatsvinden op basis van de waarde van de grond en de kosten van de bewerking, mits de belastingplichtige hierover nog geen belasting heeft betaald.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest geoordeeld dat het oordeel van het Gerechtshof dat de Wet op de omzetbelasting in strijd is met de Zesde richtlijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het Hof vernietigd, maar enkel voor zover de naheffingsaanslag was vernietigd. De naheffingsaanslag is verminderd tot een bedrag van € 116.099. De Hoge Raad heeft geen termen aanwezig geacht voor een veroordeling in de proceskosten.

De uitspraak van de Hoge Raad is van belang voor de uitleg van de regels omtrent de heffing van omzetbelasting in situaties waarin goederen zijn vervaardigd in opdracht van een belastingplichtige, en biedt duidelijkheid over de toepassing van de Zesde richtlijn in Nederland.

Uitspraak

20 december 2013
nr. 09/03108
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 26 juni 2009, nr. BK-08/00334, betreffende een aan
gemeente Vlaardingente
Vlaardingen(hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1.Ontstaan en loop van het geding

Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 13 mei 2011, nr. 09/03108, ECLI:NL:HR:2011:BM6699, BNB 2011/196, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 8 november 2012, Gemeente Vlaardingen, C-299/11, BNB 2013/9, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
“Artikel 5, lid 7, sub a, van de Zesde richtlijn (...), gelezen in samenhang met artikel 11, A, lid 1, sub b, daarvan, moet in die zin worden uitgelegd dat het door een belastingplichtige voor een van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde economische activiteit bestemmen van velden in zijn eigendom die hij door een derde heeft laten bewerken, onderworpen kan worden aan een heffing van belasting over de toegevoegde waarde met als maatstaf van heffing de som van de waarde van de grond waarop deze velden liggen en de kosten van de bewerking ervan, voor zover die belastingplichtige over die waarde en kosten nog geen belasting over de toegevoegde waarde heeft betaald en mits de betrokken terreinen niet onder de in artikel 13, B, sub h, van deze richtlijn bedoelde vrijstelling vallen.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dit arrest. Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 10 juni 2013 geconcludeerd tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Nadere beoordeling van het middel

2.1.
Uit de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat het oordeel van het Hof dat artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in strijd is met artikel 5, lid 7, aanhef en letter a, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 18, aanhef en letter a, van BTW-richtlijn 2006) voor zover eerstbedoelde bepaling voor de heffing van omzetbelasting ook als een levering aanmerkt het beschikken over goederen die de ondernemer heeft doen vervaardigen door derden onder terbeschikkingstelling van stoffen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel slaagt derhalve. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.2.1.
Uit de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat het door belanghebbende voor vrijgestelde economische activiteiten bestemmen van de onderhavige kunstgras- en asfaltvelden op grond van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet kan worden onderworpen aan een heffing van omzetbelasting. Daarbij moet de maatstaf van heffing in overeenstemming met artikel 8, lid 3, van de Wet worden gevormd door de som van de waarde van de grond waarop deze velden liggen en de kosten van de bewerking ervan, behoudens voor zover belanghebbende over die waarde en kosten in het kader van een aan de toepassing van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet voorafgaande belastingheffing omzetbelasting zou hebben betaald.
2.2.2.
In reactie op het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie heeft belanghebbende aangevoerd dat verwijzing van het geding moet volgen om te onderzoeken of belanghebbende eerder omzetbelasting heeft betaald over de waarde van de grond. Voor een dergelijk onderzoek bestaat evenwel geen aanleiding, aangezien in cassatie op grond van een onbestreden vaststelling daaromtrent door de Rechtbank ervan moet worden uitgegaan dat ter zake van de voorafgaande grondverwerving, de verkrijging van de sportterreinen door belanghebbende, door belanghebbende geen omzetbelasting is betaald.
2.2.3.
Gelet op het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie moet de door belanghebbende – onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van 29 april 2004, gevoegde zaken Gemeente Leusden en Holin Groep, C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260 – voor het Hof subsidiair aangevoerde stelling dat heffing op grond van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet niet meer kan belopen dan de bedragen aan omzetbelasting die eerder ter zake van de geleverde goederen en verrichte diensten door de betrokken ondernemer in aftrek zijn gebracht, worden verworpen.
2.2.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de betrokken terreinen een zodanige bewerking hebben ondergaan dat bebouwde gronden zijn ontstaan. Daardoor mist de in artikel 13, B, letter h, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 135, lid 1, aanhef en letter k, van BTW-richtlijn 2006) bedoelde vrijstelling toepassing.
2.3.
Blijkens overweging 6.3.22 van de uitspraak van het Hof was tussen partijen in hoger beroep niet meer in geschil dat de Inspecteur de voortbrengingskosten te hoog heeft vastgesteld.
2.4.
Gelet op het hiervoor in 2.2 en 2.3 overwogene moet de conclusie zijn dat de onderhavige naheffingsaanslag moet worden verminderd tot op € 116.099.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover daarbij de naheffingsaanslag is vernietigd, en
vermindert de naheffingsaanslag tot op een bedrag van € 116.099.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.