ECLI:NL:HR:2013:1784

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
11 december 2013
Zaaknummer
09/03109
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • E.N. Punt
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over naheffingsaanslag omzetbelasting en de uitleg van de Wet OB in relatie tot de Zesde richtlijn

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, die op 26 juni 2009 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting had vernietigd. De naheffingsaanslag was opgelegd aan de gemeente Schiedam over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001. De Rechtbank te ’s-Gravenhage had het beroep van de gemeente ongegrond verklaard, maar het Hof had deze uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag opgeheven. De Staatssecretaris stelde cassatie in, waarbij de Advocaat-Generaal M.E. van Hilten op 3 mei 2010 concludeerde tot gegrondverklaring van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 in strijd was met artikel 5, lid 7, letter a, van de Zesde richtlijn. De Hoge Raad concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, omdat de betrokken terreinen een zodanige bewerking hadden ondergaan dat bebouwde gronden waren ontstaan, waardoor de vrijstelling van artikel 13, B, letter h, van de Zesde richtlijn niet van toepassing was. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, waarbij werd vastgesteld dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd.

De beslissing van de Hoge Raad werd openbaar uitgesproken op 20 december 2013, waarbij de proceskosten niet werden toegewezen. Dit arrest is van belang voor de uitleg van de Wet op de omzetbelasting in relatie tot Europese richtlijnen en de toepassing van naheffingsaanslagen.

Uitspraak

20 december 2013
nr. 09/03109
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 26 juni 2009, nr. BK-08/00332, betreffende een aan
gemeente Schiedamte
Schiedam(hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1.Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 06/7296 OB) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond verklaard, en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 3 mei 2010 geconcludeerd tot gegrond verklaren van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2012, Gemeente Vlaardingen, C-299/11, BNB 2013/9.

3.Beoordeling van het middel

3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in strijd is met artikel 5, lid 7, aanhef en letter a, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 18, aanhef en letter a, van BTW-richtlijn 2006), voor zover eerstbedoelde bepaling voor de heffing van omzetbelasting ook als een levering aanmerkt het beschikken over goederen die de ondernemer heeft doen vervaardigen door derden onder terbeschikkingstelling van stoffen, waaronder grond wordt begrepen. Tegen dit oordeel richt zich het middel.
3.2.
Het Hof van Justitie heeft bij het hiervoor in onderdeel 2 vermelde arrest voor recht verklaard:
“Artikel 5, lid 7, sub a, van de Zesde richtlijn (...), gelezen in samenhang met artikel 11, A, lid 1, sub b, daarvan, moet in die zin worden uitgelegd dat het door een belastingplichtige voor een van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde economische activiteit bestemmen van velden in zijn eigendom die hij door een derde heeft laten bewerken, onderworpen kan worden aan een heffing van belasting over de toegevoegde waarde met als maatstaf van heffing de som van de waarde van de grond waarop deze velden liggen en de kosten van de bewerking ervan, voor zover die belastingplichtige over die waarde en kosten nog geen belasting over de toegevoegde waarde heeft betaald en mits de betrokken terreinen niet onder de in artikel 13, B, sub h, van deze richtlijn bedoelde vrijstelling vallen.”
3.3.
Uit de hiervoor in 3.2 weergegeven verklaring voor recht volgt dat het hiervoor in onderdeel 3.1 omschreven oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel slaagt derhalve. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.4.1.
Uit de hiervoor in 3.2 weergegeven verklaring voor recht volgt dat het door belanghebbende voor vrijgestelde economische activiteiten bestemmen van de onderhavige kunstgrasvelden op grond van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet kan worden onderworpen aan een heffing van omzetbelasting. Daarbij moet de maatstaf van heffing in overeenstemming met artikel 8, lid 3, van de Wet worden gevormd door de som van de waarde van de grond waarop deze velden liggen en de kosten van de bewerking ervan, behoudens voor zover belanghebbende over die waarde en kosten in het kader van een aan de toepassing van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet voorafgaande belastingheffing omzetbelasting zou hebben betaald.
3.4.2.
In reactie op het hiervoor in onderdeel 2 vermelde arrest van het Hof van Justitie heeft belanghebbende aangevoerd dat verwijzing van het geding moet volgen om te onderzoeken of belanghebbende eerder omzetbelasting heeft betaald over de waarde van de grond. Voor een dergelijk onderzoek bestaat evenwel geen aanleiding, aangezien in cassatie op grond van een onbestreden vaststelling daaromtrent door de Rechtbank ervan moet worden uitgegaan dat ter zake van de voorafgaande grondverwerving, de verkrijging van het sportcomplex door belanghebbende, door belanghebbende geen omzetbelasting is betaald.
3.4.3.
Gelet op het hiervoor in onderdeel 2 vermelde arrest van het Hof van Justitie moet de door belanghebbende – onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van 29 april 2004, gevoegde zaken Gemeente Leusden en Holin Groep, C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260 – voor het Hof subsidiair aangevoerde stelling dat heffing op grond van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet niet meer kan belopen dan de bedragen aan omzetbelasting die eerder ter zake van de geleverde goederen en verrichte diensten door de betrokken ondernemer in aftrek zijn gebracht, worden verworpen.
3.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de betrokken terreinen een zodanige bewerking hebben ondergaan dat bebouwde gronden zijn ontstaan. Daardoor mist de in artikel 13, B, letter h, van de Zesde richtlijn (thans: artikel 135, lid 1, aanhef en letter k, van BTW-richtlijn 2006) bedoelde vrijstelling toepassing.
3.6.
Gelet op het hiervoor in 3.3, 3.4 en 3.5 overwogene moet de conclusie zijn dat de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.