ECLI:NL:HR:2013:158

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
24 juli 2013
Zaaknummer
12/00733
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen en boetebeschikking

Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 1991 tot en met 1996 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting, met een verhoging van honderd procent en heffingsrente. Tevens werd over het jaar 2000 een navorderingsaanslag met boete opgelegd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslagen en beschikkingen. Belanghebbende stelde beroep in bij het hof, dat de verhogingen en boete vernietigde en kwijtschelding verleende, maar het beroep verder ongegrond verklaarde.

Belanghebbende stelde vervolgens tien middelen in cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en verwees naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, waardoor geen nadere motivering noodzakelijk was.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 12 juli 2013.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af.

Uitspraak

12 juli 2013
nr. 12/00733
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Hertogenboschvan 29 december 2011, nr. 04/01504, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 1995 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1992 tot en met 1996 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is voorts over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het betreft de verhogingen en boete, de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de verhogingen kwijtgescholden, de boetebeschikking vernietigd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij tien middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2013.