Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Doetinchem,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
29 november 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de huurovereenkomst van woonruimte na het overlijden van de hoofdhuurder voortgezet kon worden. De zaak werd behandeld door de kantonrechter en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarvan het arrest aan het Hoge Raad arrest was gehecht.
De eiser in cassatie, een huurder, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, terwijl de verweerster, een stichting die woonruimte verhuurt, niet was verschenen. De Procureur-Generaal stelde voor het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de eiser klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd de eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, met een nihil begroting aan de zijde van de Stichting.
Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp, Polak en in het openbaar uitgesproken door Loth op 29 november 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gronden.