ECLI:NL:HR:2013:1121

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2013
Publicatiedatum
5 november 2013
Zaaknummer
12/03022
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt taakstraf voor medeplegen oplichting ondanks discussie over redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij is veroordeeld voor medeplegen van oplichting. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis. De oplichting bestond uit een constructie waarbij goederen via internet werden aangeboden, maar na betaling niet werden geleverd.

De verdediging klaagde onder meer dat het hof niet had aangegeven welke straf het zonder overschrijding van de redelijke termijn zou hebben opgelegd. Het hof had echter bij de strafoplegging expliciet rekening gehouden met de lange duur van de behandeling in hoger beroep, zoals door de raadsman van verdachte was verzocht.

De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien het hoger beroep binnen twee jaar na het instellen ervan was afgerond. Het hof had daarom niet hoeven aan te geven welke straf het zonder deze omstandigheid zou hebben opgelegd. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de taakstraf definitief bleef staan.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het meewegen van de redelijke termijn, maar bevestigt ook dat het hof een zekere mate van discretionaire ruimte heeft in de strafoplegging wanneer de procedurele omstandigheden dit rechtvaardigen.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt taakstraf van 200 uur voor medeplegen oplichting ondanks discussie over redelijke termijn.

Uitspraak

5 november 2013
Strafkamer
nr. 13/03022
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zittingsplaats Arnhem, van 29 mei 2012, nummer 21/004112-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Ruijs, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof heeft nagelaten aan te geven welke straf het zonder overschrijding van de redelijke termijn zou hebben opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.
2.3.1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:
"Ik verzoek het hof om bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat de behandeling in hoger beroep lang op zich heeft laten wachten".
2.3.2.
Het bestreden arrest houdt omtrent de strafoplegging het volgende in:
"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken en de omvang van de schade voor de gedupeerden, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van langere duur dan opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden is.
Verdachte heeft deelgenomen aan een oplichtingsconstructie, waarbij diverse goederen via internet te koop werden aangeboden. Na ontvangst van de betalingen werd echter niet tot levering van die goederen overgegaan. Verdachte, die een belangrijke schakel in de oplichtingsketen vormde, is volstrekt voorbij gegaan aan de gevolgen van zijn handelen voor de financieel gedupeerde slachtoffers. Hij heeft het vertrouwen dat consumenten moeten kunnen stellen in internettransacties via veilingsites als Marktplaats.nl ernstig beschaamd. Dit rekent het hof verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op de omvang van de schade en de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Uit het op naam van verdachte gestelde uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor feiten gepleegd na het bewezenverklaarde.
Ten slotte heeft het hof bij de strafoplegging acht geslagen op het feit dat de redelijke termijn waarbinnen de berechting plaats dient te vinden is geschonden."
2.4.1.
In aanmerking genomen dat van een overschrijding van de redelijke termijn bij de berechting van de zaak in hoger beroep geen sprake is, nu blijkens de gedingstukken hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank is aangetekend op 7 juni 2010 en de uitspraak in hoger beroep is gedaan op 29 mei 2012, waarbij de behandeling in hoger beroep binnen de in deze zaak geldende termijn van twee jaren is afgerond, heeft het Hof met zijn overweging dat het bij de strafoplegging acht heeft geslagen op het feit dat de redelijke termijn waarbinnen de berechting dient plaats te vinden is geschonden, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het, overeenkomstig het verzoek van de raadsman, bij de strafoplegging rekening houdt met de omstandigheid dat de behandeling in hoger beroep lang op zich heeft laten wachten. Het Hof behoefde dan ook niet aan te geven welke straf het zonder overschrijding van de redelijke termijn zou hebben opgelegd.
2.4.2.
De klacht kan dus niet tot cassatie leiden.
2.5.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2013.