Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
5 november 2013.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verdachte was in voorlopige hechtenis en had een gevangenisstraf van elf jaar en zes maanden opgelegd gekregen.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf, met vermindering daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel geen cassatiegrond bood, maar dat het tweede middel gegrond was omdat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden. Dit kwam doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest alleen voor de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot elf jaren en twee maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd recht gedaan aan het beginsel van een redelijke procesduur en de belangen van de verdachte in voorlopige hechtenis.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot elf jaar en twee maanden wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.