Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
5 november 2013.
Hoge Raad
De aanvrager is in hoger beroep door het Gerechtshof Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, namelijk het aanwezig hebben van 2444 hennepplanten. De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van dit arrest, waarbij werd gesteld dat nieuw bewijs, bestaande uit foto's en gespreksverslagen, zou aantonen dat de politie onrechtmatig de woning was binnengetreden.
De Hoge Raad oordeelde dat het aangevoerde bewijs onvoldoende concreet en onderbouwd was. De foto's waren ongedateerd en nietszeggend, en de gespreksverslagen gaven onvoldoende duidelijkheid over de identiteit van de gesprekspartners. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat het nieuwe bewijs een ernstig vermoeden wekte dat het onderzoek tot een vrijspraak of een minder zware straf zou hebben geleid.
Op grond hiervan werd de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond verworpen. De veroordeling van de aanvrager bleef daarmee in stand. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet in staat waren het arrest te ondertekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende nieuw bewijs.