Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
5 november 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld wegens het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol met een gemeten alcoholgehalte van 765 microgram per liter uitgeademde lucht. Het Hof had geoordeeld dat het onderzoek met het ademanalyse-apparaat rechtsgeldig was uitgevoerd door een opsporingsambtenaar die volgens het Besluit alcoholonderzoeken bevoegd en bekwaam was aangewezen.
De verdediging voerde aan dat de opsporingsambtenaar niet beschikte over een certificaat van bekwaamheid voor het bedienen van het apparaat, en dat er twijfel bestond over de betrouwbaarheid van het ademanalyse-apparaat. Tevens werd verzocht de zaak aan te houden voor nader onderzoek naar de bekwaamheid en deugdelijkheid van het apparaat.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van het certificaat niet automatisch betekent dat de opsporingsambtenaar niet bekwaam was. Het proces-verbaal van ademanalyse, opgesteld door de aangewezen ambtenaar, is een wettig bewijsmiddel. De brief van de politie over het ontbreken van het certificaat kan niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde het oordeel van het Hof.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar achtte dit niet aanleiding tot rechtsgevolgen gezien de aard van de opgelegde straf. Het arrest werd gewezen op 5 november 2013 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens rijden onder invloed blijft gehandhaafd.